Leesfragment uit Voor een flard van de hemel

Proloog – Voor een flard van de hemel

Antwerpen, december 1985

Mijn vader staat een eindje verderop gebogen over een vitrine met zilverwerk. Morgen komt hij wellicht terug voor de veiling. Ik hoop vurig dat ik er dan opnieuw bij mag zijn.

Met mijn vijftien jaar ben ik veruit de jongste bezoeker in de Antwerpse antiekveiling, maar dat deert me niet. Integendeel, ik voel me thuis tussen voorwerpen die ouder zijn dan de mensen die ernaar kijken.

Terwijl verzamelaars en handelaren langzaam langs de vitrines schuifelen, dwaal ik in mijn eentje verder de bezichtigingszaal in. De geur van oud leer, boenwas en vergeeld papier hangt in de lucht. Overal om me heen staan meubels, schilderijen en kunstvoorwerpen die een leven achter zich hebben. Soms vraag ik me af hoeveel handen ze hebben gekend, hoeveel verhalen eraan zijn blijven kleven.

Ik blijf staan bij een klok die allang niet meer loopt. Even meen ik het tikken toch te horen, heel zacht, alsof de tijd hier niet helemaal tot stilstand is gekomen maar zich slechts schuilhoudt achter glas en verguld hout.

Een vreemde rilling glijdt langs mijn rug.

De afgelopen jaren heb ik vaker van die momenten gehad, korte ogenblikken waarop iets zich net buiten mijn blikveld lijkt te bewegen. Niet zichtbaar en toch aanwezig.

Ik laat mijn hand over het gladde hout van de klok glijden.

Niets.

Alleen mijn verbeelding, waarschijnlijk.

Toch blijft er iets knagen.

Ik loop verder langs een rij portretten. Strenge heren, bleke dames, gezichten die eeuwen geleden hebben geademd en nu alleen nog bestaan in craquelé verflagen, met een blik die de tijd heeft overleefd.

Dan gebeurt het.

Een plotselinge warmte strijkt tintelend langs mijn rechterwang.

Ik verstijf. Niet omdat het pijn doet of eng is, maar omdat het zo vertrouwd voelt. Mijn adem stokt. Die warmte ken ik. Al zolang ik me kan herinneren is ze er op momenten dat ik bang of verdrietig ben. Nooit heb ik gezien wie of wat erachter schuilgaat.

Tot nu.

Mijn blik wordt als vanzelf naar rechts getrokken.

Daar hangt een levensgroot portret.

De man erop kijkt me aan.

De rest van de zaal verdwijnt niet ineens, maar trekt zich langzaam terug. Geluiden, bewegingen en stemmen raken steeds verder weg. Zelfs mijn adem lijkt halverwege te blijven steken.

Zijn ogen houden de mijne gevangen, amberkleurig, warm.

Een schok trekt door me heen.

Ik ken die ogen.

Mijn hart begint wild te bonzen en de warmte op mijn wang wordt sterker. Heel even heb ik de vreemde gewaarwording dat er iemand vlak achter me staat.

Langzaam zet ik een stap dichterbij, dan nog één.

Mijn blik glijdt over het schilderij en volgt de lijnen van zijn gezicht. Scherpe jukbeenderen, een rechte neus, een volle mond onder een smalle snor en een kleine sik. Donkerblond haar golft over de kanten rand van een witte kraag. Hij draagt een okergeel brokaten vest onder een donkere mantel en in zijn handen rust een opengeslagen boek.

Maar het zijn zijn ogen die me niet loslaten.

Ze kijken niet naar de ruimte, niet naar de bezoekers, niet langs me heen zoals geschilderde ogen soms doen.

Ze kijken naar mij.

Ik weet niet hoe lang ik daar sta. Misschien seconden, misschien minuten. Mijn vingers sluiten zich om de rand van de veilingcatalogus en pas wanneer het papier begint te kreuken, merk ik hoe stevig ik hem vasthoud.

Ik sta oog in oog met een onbekende man op een schilderij en toch voelt het alsof ik na jaren zoeken eindelijk iets terugvind waarvan ik niet eens wist dat ik het kwijt was.

Dan weet ik het.

Jij bent het.

Jij bent degene die al die jaren bij me was. De stem die ik nooit werkelijk hoorde, maar toch begreep. De aanwezigheid die me troostte en waarschuwde.

Mijn keel trekt dicht. Ik wil lachen, huilen, vragen stellen, duizend dingen tegelijk, maar ik kan alleen maar kijken. Verloren in die amberkleurige ogen.

Ik hoor niet dat mijn vader naar me roept. Niet dat ergens een deur dichtslaat. Om me heen lopen mensen verder langs vitrines en schilderijen.

Voor mij bestaat alleen nog dit portret.

En de man die mij vanaf het doek aankijkt alsof hij al die jaren op mij heeft gewacht.

← Terug naar Het boek